2009-09-25

vrijdag 25 september

Als we om kwart voor zeven de jaloezieën van de voorruit open schuiven kijkt een boot ons vriendelijk aan, alsof hij ‘Kalimera’ zegt. Goedemorgen! Er is al bedrijvigheid in de haven. Onze boot vertrekt om acht uur, en zal waarschijnlijk hier aanmeren om nulzeventwintig. We zetten koffie en eten een paar geroosterde sneetjes met jam. We zien de boot arriveren en kijken alles maar eens rustig aan tot alles eraf is. Veel vrachtverkeer, ook personenauto’s - voor een deel waarschijnlijk van mensen van het vasteland die op Kefalonia werken -, scooters en motoren, en zowaar een camper. Tegen kwart voor acht starten we, vertrekken van onze overnachtingsplek, en na 3 minuten rijden we het schip binnen. Toch handig, zo’n mobiel appartement wat je altijd bij je hebt.

Het is rustig op ...
deze eerste boot naar Kylini. We willen buiten op het dek gaan zitten. Monique maakt eerst wat foto’s van een aantal vogelkooitjes inclusief kanaries, die achter een soort van buffetje staan in de bar van het schip. We weten eigenlijk niet of ze er staan voor de verkoop of bijgeloof of wat dan ook. Het is knap winderig op het dek. We kunnen zelfs bijna helemaal voorop staan, en Monique waant zich even Kate Winslet in de film ‘Titanic’. Maar we gaan snel ergens opzij uit de wind zitten, want het waait toch wel erg behoorlijk. Achter ons vervaagt langzaam het beeld van Kefalonia, terwijl vóór ons gelijkertijd de contouren van de Peleponnesos duidelijker worden in het ochtendgloren.

We mijmeren wat na over Kefalonia. We vinden het een prachtig eiland, heel groen en met bijzonder mooie (berg)wegen. We hebben op een paar plaatjes van plekken gestaan. Aghia Efimia was er een. Fiskardo ook. Leuke spontane momenten als de bruiloft in Fiskardo, en de babbels met de hele aardige Belgen Ri en Ilse, en het avondleven in de jachthavens passeren onze gedachten. Gewoon simpel op het trapje van de camper zitten met een ouzo, en zomaar kletsen met voorbijgangers waren ook leuke momenten. We vinden het eiland wel erg toeristisch (worden). Als we in plaatsen komen waarvan meer dan de helft van de mensen op straat uit niet-Grieken bestaat, vinden we de grens bereikt. Voor camperaars zijn er onzes inziens op de Peleponnesos veel meer en relaxtere mogelijkheden dan op Kefalonia. Maar zoals we ons al eerder in onze blog afvroegen: hebben wij nu als camperaar een heel andere beleving van een eiland dan vroeger, toen we nog als vliegtuigvakantieganger gingen? Waarschijnlijk wel. We hebben redelijk wat eilanden met het vliegtuig gedaan. Je hebt dan voor een paar weken je vaste baken waar je elke avond terugkeert. Overdag ga je naar het strand voor je deur, of je trekt er op uit met een gehuurde scooter of jeep. Je stelt een reisdoel voor die dag en zorgt dat je ’s avonds op tijd weer terug bent. Je probeert alle restaurantjes uit in je nabije omgeving, en aan het einde van je vakantie weet je waar je het beste kunt eten. Je pakt vaak heel bewust alle highlights van het eiland, en na 2 weken zeg je: ‘we hebben Kefalonia gedaan!’

Met de camper heb je een paar opties. Je kunt natuurlijk naar Kefalonia rijden, daar 2 weken op 1 of 2 campings gaan staan (meer zijn er niet), er op uit trekken (of niet) met camper, scooter of fiets en ’s avonds op je camping terugkeren. Da’s niet zo ons ding, eerlijk gezegd. Je kunt ook vrij kamperen, zeg maar ‘wild staan’, dus ergens vertrekken, onderweg iets bezichtigen of op/ bij een strand gaan staan, als de plek geschikt is om te overnachten bij een taverne eten of zelf iets maken, slapen, en de volgende dag verder, of als het bevalt, en je kunt blijven staan, dan blijf je nog. Je bent dan wel altijd onderweg met de vraag ‘waar zouden we kunnen overnachten’. In sommige landen en sommige delen van Griekenland zijn er wel bekende ‘gedoogplaatsen’ of officiële camperplekken, waarvan zelfs complete databases bestaan, maar op eilanden als bijvoorbeeld Kefalonia vraagt dat toch iets meer gezoek en lef. De een vindt dat leuk, de ander moet niks hebben van die onzekerheid en onrust. Soms vinden wij dat laatste ook wel een nadeel (omdat wij liever niet helemaal alleen willen staan), maar als je ergens op een geweldige plek staat aan een strand of in een jachthaven, en je kunt er blijven staan terwijl de zon onder gaat, de stilte of het avondleven begint, je hebt alles inclusief je eigen bed bij je, je wordt er weer wakker terwijl de zon opkomt, en je duikt de zee in voor je neus, en je hebt nog steeds je hele mobiele appartement achter je staan….. dan weten we waarom we het onder andere doen.
Kefalonia was heel mooi, alhoewel we het eiland waarschijnlijk geen tweede keer doen.

Ondertussen zien we de haven van Kyline al, van waaruit we 9 dagen geleden vertrokken. Iets voor half tien ’s morgens meren we aan. Op het dek was het nog fris, eenmaal op de kade met de zon op de voorruit van de camper is het weer zwetend warm. We rijden de camper naar het openbare toiletgebouw achter het havenkantoor, waar we de toiletcassette legen. Bij de toiletten van de dames hangt zelfs een slang, waarmee je de watertank van de camper zou kunnen vullen. Die zit echter helemaal vol. Behalve de slang is er op de damestoiletten een knap staaltje van loodgieterwerk te zien. Er hangen vier wasbakken op een rij. Monique zet de kraan aan van wasbak 2 om haar handen te wassen, en tevens gaat dan kraan 4 lopen. ‘Da’s grappig’ zegt ze, en draait 2 weer dicht en ze probeert wat er gebeurt als ze de kraan van wasbak 4 opent. Juist, wasbak 2 doet dan ook vrolijk mee. Wasbak 3 is gewoon compleet zelfstandig. Dan rest nog wasbak 1, en als ze daar de kraan van opent ....krijgt ze natte voeten, want er zit geen afvoer aangesloten onder de bak.
Ik ga het hetzelfde kunstje proberen bij de heren. Wat gebeurt: als ik wasbak 1 open, spoelt toilet 3 bij de dames door…… nee, dat laatste is onzin natuurlijk.

Na deze kunststukjes rijden we het haventerrein af, en parkeren de camper op een onverhard parkeerterreintje 20 meter verderop. We zetten een bakje koffie en eten daarbij onze laatste 2 zeer zoete baksels op van de bakker in Lixouri. De vloeibare suiker druipt tussen onze vingers uit, en het glazuur springt van onze tanden, maar wat is het lekker! Ongeveer 30 meter verderop, aan de overkant van een straatje zien we nog een parkeerterrein. We zien een verroest hek- en gaaswerk, en een houten bordje met ‘PARKING’ erop geschilderd. Waarschijnlijk kwam de schilder er op het laatste moment achter dat ‘PARKIN’ met een ‘G’ op het eind geschilderd moest worden, of hij had de lengte van het bordje verkeerd ingeschat. Aan weerszijden van de toegang staat een plastic stoeltje geparkeerd, met op elk daarvan een mobiel bellende man. Een is waarschijnlijk de parkeerwachter, de andere is een taxichauffeur, hebben we even ervoor als gezien. Mobiel bellen is enorm populair bij de Grieken. Enkele jaren geleden was het aantal mobiele telefoons per hoofd van de bevolking het hoogst in Griekenland. We hebben het idee dat het met roken net zo is.
Als de mannen uitgebeld zijn, gaan ze met elkaar druk in gesprek. Even later komt een derde stoeltje in beeld. Een ‘gast’ zet het stoeltje midden in de inrit en loopt druk over en weer te kwekken met de andere twee. Het is inmiddels half elf en behalve drie stoeltjes en drie mannen der staan er al twee auto’s geparkeerd. We vragen ons af wat het parkeergeld zal zijn, want als de man hier de kost mee moet verdienen… Terwijl wij op een gratis parkeerterrein staan 30 meter terug. We zullen wel iets over het hoofd zien.

Waar we vandaag heen gaan weten we nog niet, behalve dat het naar het zuidwesten is. Maar in ieder geval gaan we op zoek naar Dashamir Cela, een Albanese pompbiedende die onze camper vier jaar geleden volgepompt heeft net buiten Skafidia, toen we daar na een paar overnachtingen vandaan kwamen. Deze zeer kleine man was toen zo ongelooflijk hartelijk tegen ons. Hij spreekt naast Albanees ook wat Grieks. Wij spreken naast Engels, Duits en Nederlands geen Albanees en geen Grieks, maar na 15 minuten wisten we middels levendige gebarentaal en enkele woorden die in alle Europese talen hetzelfde betekenen, dat de man uit Albanie komt, 15 jaar geleden gevlucht, achtervolgd en beschoten is, getrouwd is en drie kinderen heeft.
Monique heeft toen (in 2006) wat foto’s gemaakt tijdens het tanken. Het jaar daarop (2007) zijn wij naar een ander deel van Griekenland gegaan. Het derde jaar (2008) hebben we ook een paar dagen in Skafidia gestaan, en zijn toen op zoek geweest naar dezelfde pombediende. Na lang gezoek hebben we hem toen gevonden. Wij weer tanken natuurlijk, en toen we de foto’s van 2006 lieten zien, was hij dolenthousiast. Wij weer foto’s maken, maar nu veel meer. Dashamir wil graag met ons poseren en we schrijven zijn adres op, zodat we de foto’s kunnen versturen. Maar omdat we nu in 2009 toch weer gingen, gokten we erop dat we het tankstation weer zouden vinden (het was echt niet wat je bij ons zou noemen:’een doorgaande weg’).

Vanaf Kylini afkomend gaan we naar het dorpje Skafidia, wat elk jaar toeristischer wordt zo te zien. We rijden een paar wegen op en af omdat het hier ergens moet zijn. We vinden het niet zo snel en bij het haventje laten we een vrouw een foto zien van Dashamir met Monique. De vrouw maakt wat gebaren en laat dat gepaard gaan met enkele Engelse woorden. We horen ook nog de naam ‘Pyrgos’, en denken alles begrepen te hebben. Toch twijfelen we na 10 minuten rijden, en schieten ergens langs de weg, buiten een dorp, en naast een olijfboomgaard, een Griekse man aan. Hij staat aan mijn kant van de weg, en uit het raam hangend laat ik hem een foto van de Albaniër zien. Als een waterval komt er een hoeveelheid Grieks uit zijn mond met een tempo alsof het om de wereldkampioenschappen snelpraten gaat, daarbij ook nog allerhande drukke gebaren makend. Ik denk het te begrijpen en zeg op zijn Nederlands ‘dus gewoon door rijden en dan aan de kant van de weg?’.
‘Nè, Nè’, zegt de man die mij blijkbaar ook begrijpt. Monique lacht zich een deuk en denkt dat ik geintje maak dat ik hem begrepen heb. Maar mooi dat we na 4 minuten aan de rechterkant van de weg de beste man op een stoeltje voor zijn pompstation zien zitten. Hij is blij dat hij een klant ziet en springt van de stoel. Als we uitstappen herkent, knuffelt en kust hij ons. Ook mij, want in Griekenland is het heel gewoon dat mannen elkaar omhelzen en kussen. We laten hem de foto’s zien van vorig jaar en hij vindt het prachtig. Eerst maar even tanken. Waarschijnlijk krijgt hij niet veel klanten, want heel secuur druppelt hij zelfs het laatste stukje vol. Hij hangt de slang terug en we proberen wat te communiceren, als er zowaar nog een klant aan komt. Een pick-up met zigeuners. De bestuurder stapt uit, en geeft Dashamir 3 euro voor diesel. Echt waar. Als al zijn klanten zo veel te besteden hebben snappen wij waarom Dashamir onze tank zo vol druppelt. Als de zigeuners weer weg zijn is het tijd voor nieuwe foto’s. Op verzoek van Dashamir gaan hij en ik voor de camper met de duim in ‘OK’-stand. Dan Dashamir en Monique voor de camper met duim omhoog. Vervolgens Dashamir alleen voor de camper. Dan herhaalt zich alles voor de ja-wat-is-het-eigenlijk-voor-een-bromfiets van Dashamir. Maar goed dat we niet meer met rolletjes fotograferen, want nu herhaalt het hele ritueel zich ook nog samen met de jonge hond van Dashamir, die daar aan een lijntje ligt. Wat overigens wel een scheetje is. Zelfs Monique gaat er als een boer die kiespijn heeft mee op de foto. Er zit overigens wel een halve meter angst tussen beiden, maar dat photoshoppen we eenmaal thuis wel weg. We schrijven zijn adres voor de zekerheid nog een keer op en knuffelen ter afscheid. Honderd meter verder komen we er achter dat we vergeten zijn ons souvenirtje af te geven: een paar kleine gele Hollandse klompjes. ‘Aaahhh, wat lief’, horen we jullie al zeggen. We hadden voor speciale gelegenheden wat van deze klompjes mee genomen. En Dashamir hoorde daar ook bij. We rijden snel terug en hij zit alweer op zijn stoeltje te wachten op de volgende klant. Dat valt mooi tegen want wij zitten nog goed vol. Dashamir is hartstikke verrast en blij met zijn klompjes en waarschijnlijk hangen ze inmiddels in zijn kantoortje, tussen de al 6 jaar oude en vergeelde tijdschriften met nog echte pin-ups op de cover.
Daarnaast herbergt zijn kantoortje/winkeltje nog wat verroeste schappen met daarop enkele cans motorolie en wat spuitbussen contactspray. Een heerlijke kerel, zover we hem kennen en begrijpen.

We gaan verder, en we willen eerst op het strand van Kato Samiko gaan kijken, waar we in voorgaande jaren ook al eens gestaan hebben. Maar daarvoor willen nog we naar de Lidl in Pyrgos. We zijn ervan overtuigd dat hij aan de hoofdweg zit, maar na 3 keer het stuk bij Pyrgos heen en weer gereden te hebben, en ook nog eens per ongeluk midden in de stad terecht gekomen te zijn, geven we het op, en doen we boodschappen bij een grote ‘AB’-supermarkt, met een zeer uitgebreid assortiment. Bij het kruispunt waar we per ongeluk de stad inrijden, staat bij de verkeerslichten een ontzettend mooie maar toch sterk verlepte jongedame, die langs de voor het stoplichtwachtende automobilisten langs gaat, haar hand ophoudend. Ik dacht eerst dat het een hoertje was, maar ze wil alleen maar geld zonder tegenprestatie. Ja, dat wil ik ook wel. Dit bedelwerk, meestal door zigeuners zie je wel meer in de Griekse steden.

Op weg naar Kato Samiko rijden we alweer ergens verkeerd, en als we dat merken laten we ons verder maar leiden door onze TomTom. We hebben nu de nieuwe officiële kaart van Greece in onze Tom zitten, en die is tot nu toe behoorlijk precies. Dat konden we van de vorige kaart niet zeggen. Dat was dan ook een onofficiële kaart, die nooit door TomTom op de markt is gebracht. Begrijpelijk, want als wij met die kaart altijd de aanwijzingen van ‘Eva’ hadden opgevolgd, lagen we allang ergens tussen de bergen vuilnis onder aan een berg. We toetsen ‘Kato Samiko’ in en komen via een prachtige weg ineens op bekend terrein. We denken ‘waar zitten we toch?’ als we ineens langs de poorten van Olympia rijden. Deze prachtige opgravingen hebben we 2 jaren bezocht, en beide jaren waren we goed verkeerd gereden. Nu we er niet naar toe willen, staan we er ineens voor de deur.

Maar we moeten gewoon verder zegt Eva, en na een half uur zien we het bordje Kato Samiko. Het komt ons allemaal weer bekend voor. En wat er voor onze ogen opdoemt als we de plek bij het strand oprijden, is weer een wonderlijk toeval. Daar staat Dethleffs Jubivan nr 157. Even uitleggen: Onze camper is een Dethleffs (merk) Jubivan (type). We hebben een Limited Edition waarvan Dethleffs er in 2006 tweehonderd heeft gemaakt, ter gelegenheid van hun 75-jarig bestaan. Deze tweehonderd Jubivans zijn genummerd van 1 t/m 200. Wij hebben nummer 016. Wij zijn slechts één keer eerder dezelfde camper tegengekomen, en dat was vorig jaar in Methoni. Daar hoorde een hartstikke leuk stel bij: Huna (75) en Brigitte (70). Huna is van origine Fin en Brigitte is Duitse. Huna was vorig jaar in Methoni net zo verrast om dezelfde Jubivan te zien als die van hun, en kwam gelijk op ons af toen wij kwamen aanrijden. Hij begon zowaar in goed Hollands tegen ons te praten. Hij bleek namelijk in zijn wilde jaren ook een tijd in Amsterdam gewerkt te hebben, en daar had hij de taal al snel eigen gemaakt. De Jubivan van Huna en Brigitte heeft nummer 157. Toen wij vorig jaar op de terugweg waren naar de boot in Patras, wipten we ook nog aan bij de camperplaats in Kato Samiko, om zomaar even te kijken. Daar aangekomen stond 157 ook, en Huna kwam vanuit de taverne al op ons toegelopen, redelijk onder invloed van enkele drankjes, zo bleek. Wat een toeval weer, in zo’n groot land.

Afijn, terug bij nu. Daar staan ze dus weer. Als je met je camper een camperplaats op komt rijden, kijkt iedereen altijd wat er nu weer aankomt. Zo ook Huna. Zijn verbazing is net zo groot als de onze. We springen uit de camper en begroeten elkaar hartelijk. Ze staan al een maand op deze plek. We lopen naar hun camper, waar Brigitte net uit haar middagdutje blijkt te komen. Zo duf nog dat ze ons niet meer herkent. We laten het maar zo, maar even later, als wij onze camper iets verderop geparkeerd hebben, komt ze naar ons toe en verontschuldigt ze zich min of meer. ‘Macht doch nichts Brigitte’ zeggen we. Huna en Brigitte staan met een stuk of wat campers in een soort van minikampje in U-vorm opgesteld. Allemaal Duitse campers. Wij gaan een 30 meter verderop staan.

Het uitzicht vanuit onze cabine is schitterend. Drie meter voor ons begint het zandstrand, wat hier ongeveer 40 meter breed is. Of beter gezegd: diep, dus van onze camper tot aan de zee. Van links naar rechts lijkt het eindeloos. Tien meter links van onze camper zijn twee (koude) douches, en nog ietsje verder is de taverne. Ongeveer 100 meter rechts van ons is een grasveldje waarachter een gebouwtje is met 2 dames- en 2 herentoiletten. Er zijn ook kranen om je watertank te vullen. Wat wil je nog meer als camperaar? Er blijkt vorige week wel politie langs geweest te zijn met veel poeha en dreigementen, maar de meeste camperaars hebben zich er niks van aangetrokken en zijn gewoon blijven staan. Want let wel: officieel mag je met de camper niet vrij overnachten hier. De eigenaar van de taverne, Mike, is er echter wel blij mee, want hij heeft toch aardig wat eters extra elke dag. Ook het Duitse kamp gaat vanavond met 8 Leute bij Mike eten. Wij eten echter vanavond lekker in onze eigen camper. Rond zes uur wordt het behoorlijk bewolkt en wat later gaat het regenen. In de verte horen we onweer en zien we prachtige bliksempatronen, maar gelukkig blijft het bij ons uit de buurt. Met het getik van de regen op ons dak als slaapliedje zijn we deze avond al vroeg vertrokken.

Kato Samiko - KM 26335 - N37°31.848’ E21°34.610’
mm2greece2009/maps weergeven op een grotere kaart

0 reacties:

Een reactie plaatsen